In de Erfgoedwet is bepaald dat er uitzonderingen gemaakt kunnen worden op het opgravingsverbod (zie artikel 5.1 lid 2 van de Erfgoedwet). In het Besluit Erfgoedwet archeologie zijn deze uitzonderingen aangewezen. Hieronder vallen ook detectoramateurs.

Voorwaarden

Onder strikte voorwaarden mogen detectoramateurs ‘opgraven’. In het betreffende besluit worden deze voorwaarden opgesomd (zie artikel 2.2. Besluit Erfgoedwet archeologie):

  • Opgravingen, voor zover verricht met het gebruik van een metaaldetector, zijn uitgezonderd van het opgravingsverbod, maar de bodem mag dan niet dieper verstoord worden dan 30 cm onder het landoppervlak.
  • Deze uitzondering geldt niet op:
    1. een rijksmonument;
    2. een (archeologisch) monument dat aan besluitvorming onderworpen is over een toekomstige status als rijksmonument;
    3. een monument of archeologisch monument dat krachtens een provinciale verordening is aangewezen of dat ter besluitvorming als zodanig voorligt;
    4. een gemeentelijk monument;
    5. een terrein waar een archeologische opgraving wordt verricht.
  • Vondsten die in bovenstaande geval met metaaldetectie gevonden worden moeten zo spoedig mogelijk bij de Minister gemeld worden (via de Rijksdienst voor het  Cultureel Erfgoed). Bovendien is de gerechtigde tot de vondst verplicht om deze vondst zeker 6 maanden ter beschikking te houden voor wetenschappelijk onderzoek.
  • De gemeenteraad kan besluiten om deze uitzondering op het opgravingsverbod voor het eigen grondgebied, of een deel daarvan, buiten toepassing te verklaren. Dat betekent dat in die gevallen er op dat grondgebied niet met een metaaldetector gegraven mag worden.

Wanneer bovenstaande voorwaarden niet in acht worden genomen, is opgraven met een metaaldetector strafbaar.

Weet u niet zeker of u op een bepaald grondgebied met een metaaldetector mag zoeken? Neem dan contact op met de gemeente van dat betreffende grondgebied om navraag te doen over de regels.

Hoort bij