De Archiefwet en
het Archiefbesluit stellen de volgende eisen aan overbrenging
(artikelen 12-17 en 45 Archiefwet 1995 en artikel 9-10 Archiefbesluit
1995).
- De zorgdrager moet
archiefbescheiden die niet vernietigd mogen worden, na twintig jaar
overbrengen naar een archiefbewaarplaats. Alleen in bijzondere gevallen
mogen archiefbescheiden eerder of later worden overgebracht.
- Overbrenging moet regelmatig plaatsvinden. Minimaal eenmaal per tien jaar moeten er archiefbescheiden worden overgedragen.
- Organisaties
van de centrale overheid moeten hun archiefbescheiden overbrengen naar
een Rijksarchief. Als de functies van een organisatie zich over het
hele land uitstrekken, moet het archief worden overgebracht naar het
Nationaal Archief in Den Haag. In alle andere gevallen moet het archief
naar een van de twaalf Rijksarchieven in de provinciehoofdsteden.
- De zorgdrager moet over de overbrenging tijdig overleggen met het betreffende Rijksarchief.
- Bij
overbrenging kan de zorgdrager beperkingen aan de openbaarheid stellen.
Maar dat mag alleen voor een beperkte termijn en in bijzondere
gevallen. Namelijk:
- de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer
- het belang van de Staat en zijn bondgenoten
- het voorkomen van onevenredige benadeling of bevoordeling van betrokkenen of van derden.
Voordat
de zorgdrager beperkingen mag stellen, moet hij eerst advies inwinnen
bij het Rijksarchief waar de archiefbescheiden naar worden
overgebracht.
- Het archief moet in goede,
geordende en toegankelijke staat zijn. De Rijksarchiefdienst heeft deze
wettelijke eisen vertaald in een aantal normen, die bij overbrenging
worden gehanteerd.
- De zorgdrager moet samen
met de Rijksarchiefdienst een verklaring van overbrenging opstellen.
Die moet tenminste een specificatie van de archiefbescheiden bevatten.
Een eventueel besluit over beperkte openbaarheid moet worden bijgevoegd.